Home
Mijn levens-ontdekkingsreis
Voor wie er nog meer van wil weten volgt nu in het kort het verhaal van mijn levens-ontdekkingsreis. Je kunt reageren door een email te sturen of in het Gastenboek een reactie te schrijven.

Verpleegkundige of verlengde-arm?
1965. De opleiding tot verpleegkundige volgde ik aan de verpleegstersschool van de Vrije Universiteit, in de tweede helft van de jaren zestig. Het was een indringende ervaring. Tot op de dag van vandaag herinner ik me mensen die ik toen heb verpleegd, hun wanhoop, hun pijn, maar ook hun humor. Verplegen vond ik prachtig werk, de positie van verpleegkundige als verlengde-arm-van-de-arts beviel me minder.

Geschiedenis
1969. Geschiedenis ben ik gaan studeren uit pure interesse. Aan het eind van mijn studie heb ik toen de verpleegkunde en de geschiedschrijving gecombineerd door onderzoek te doen naar het ontstaan van verpleegkunde als beroep. Ik ontdekte dat verpleegsters (diaconessen, ordezusters) in de 19e eeuw zelfstandig de wijk ingingen, zelf beslisten wat er moest gebeuren. Aan het eind van de 19e eeuw werden verpleegsters echter ondergeschikt aan de geneeskundige professie. De geneeskunde ontwikkelde zich tegen het eind van de 19e eeuw heel snel. Verpleegsters werden vanaf die tijd geacht te handelen op voorschrift van de arts, zich bij alles af te vragen of het wel ‘mocht’, en wat ze ‘moest’. In mijn termen heet dit ‘professioneel imperialisme’. Jaren later ben ik hierin door lezing van het boek ‘The System of Professions. An Essay on the Division of Expert Labour’ van Abbott bevestigd. Het is duidelijk dat ik door deze en soortgelijke vondsten begreep waarom ik me in de verpleging zo raar had gevoeld, zo helemaal niet uitgedaagd om mijn eigen verstand te gebruiken en op mijn eigen beoordelingsvermogen af te gaan.

Zorgtalent
1979. Ik was afgestudeerd als historicus en als geschiedenislerares. Maar de middelbare school trok me niet. De wereld van de gezondheidszorg des te meer. Op 33 jarige leeftijd ging ik weer in een ziekenhuis werken. Het was een heel leerzaam jaar. Ik kwam terecht op een klasseafdeling met patienten met een grote verscheidenheid aan interne ziektes of chirurgische ingrepen. Er was geen uitslaapkamer dus we hadden ’s avonds onze handen vol. Het was een hele kunst om tijd te vinden voor patienten, en mee te leven met hun angst, hun spanning, hun opluchting als de uitslag goed was. Dat ziekenhuis was een van de eerste met een modern verpleegplan en een verpleegkundige staf. Voor mij was het een wegwijzer naar het belang van echte verpleegkundige professionaliteit.

Praktijkbegeleidster
1981 en 1982, praktijkbegeleidster in een verpleeghuis. In het verpleeghuis deed ik mijn eerste Grote Ontdekking. De verzorgenden spraken over zichzelf met veel dédain, ze waren ‘maar’ verzorgenden. Ondertussen zag ik verzorgenden met zo veel enthousiasme, zo veel liefde voor de mensen die ze verzorgden, zo veel betrokkenheid.........het was een vreemde paradox. Het werk als verzorgende deed een appèl op eigenschappen ik nu pas herkende als een echt talent. En ik besloot: Dat moet de wereld weten. Dat er een talent bestaat dat zich niet kan ontplooien omdat niemand het op zijn juiste waarde schat. Een talent waar de maatschappij maar al te graag gebruik van maakt. Tijdens mijn studie geschiedenis had ik geleerd dat alleen werk waarvoor scholing nodig is, dat als ‘deskundig’ wordt beschouwd, economisch gezien als een ‘schaars goed’ wordt aangemerkt. Zonder economische schaarste geen economische waarde. Het talent om te verzorgen is zo overvloedig voorhanden dat het geen geld hoeft te kosten.

De leerweg van verzorgenden
1982, onderzoeker bij het Instituut voor Verplegingswetenschap. Het Instituut bood de mogelijkheid om onderzoek te doen naar de effecten van Realiteits Orientatie Training. Het was een heel praktisch onderzoek, we voerden Realiteits Orientatie Training in op een unit van een verpleegafdeling, de andere unit vormde de controle-groep. De verzorgenden zelf leidden vier maal in de week ’s ochtends een groep dementerende oude mensen met wie ze volgens de methode van realiteits orientatie allerlei activiteiten ondernamen. Wij, mijn onderzoeksassistenten en ik, waren beurtelings aanwezig bij de voorbereiding van de groepsbijeenkomsten en zaten vervolgens op een afstandje te kijken. Na afloop bespraken we de bijeenkomst dan weer na met de verzorgenden. Het was ongelooflijk leerzaam voor ons allemaal. Het onderzoek als zodanig is verslagen in het onderzoeksrapport ‘Ziekenverzorgenden en Demente Bejaarden’.

De maieutische didactische aanpak
1986. Tijdens het schrijven van dit rapport deed ik mijn volgende ‘grote ontdekking’. Ik vroeg me af wat verzorgenden nodig hadden om te leren, om zich open te stellen voor nieuwe vaardigheden, nieuwe kennis. Ik dacht: ze hebben mensen nodig die het werk beheersen als expert-verzorgende en aan wie zij een voorbeeld kunnen nemen. Ze hebben mensen nodig die enthousiasme uitstralen en die hen inspireren. Maar ze wat ze vooral nodig hebben zijn ‘leermeesters’ die hen zulke vragen stellen dat ze zich bewust worden van hetgeen ze zelf van binnen weten. Nu zeggen wij: ze hebben mensen nodig die een appèl doen op hun geïntegreerde ervaring. Ik noemde die didactische houding ‘maieutisch’ naar de filosoof Socrates. Maieutisch betekent ‘verlossend’ of ‘bevrijdend’, Socrates stelde mensen vragen om ze als een vroedvrouw te ‘verlossen’ van hun innerlijke, onbewuste inzichten. Later heb ik het wat nog nader uitgewerkt, ondermeer in mijn proefschrift ‘Gewoon Lief Zijn?’
Socrates stelde geen vrijblijvende vragen, hij was sturend en dwingend. Wij (mijn collega’s en ik) zijn niet dwingend maar wel sturend. We putten onze vragen uit alles wat we weten over ‘Omgangskunde’ en ‘Verlieskunde’. Anders gezegd, we gebruiken onze eigen ‘geïntegreerde ervaring’ als referentiekader voor onze vragen. Kennis, ook wetenschappelijke kennis, ervaring tijdens ons werk en levenservaring zijn in ons zelf als het ware samengesmolten tot een bron van ‘innerlijk weten’. Het is de leidraad voor ons handelen en ook voor onze didactiek. De ‘leraar’ opent een dialoog waarvan de uitkomst niet bij voorbaat vast staat. Beide gesprekspartners kunnen er iets van leren.

Validation
1986-1990. Maar zover was het in 1986 nog niet. Terwijl ik het rapport aan het schrijven was, bracht een vriend van mij, Jan de Bie, me een stapel artikelen en fotokopieën over Validation. Validation is een methode voor het omgaan met mensen met dementie. Validation (bevestiging) betekende dat je dat je contact kon maken met de gevoelswereld van mensen met dementie. De methode is ontwikkeld door Naomi Feil. In het voorjaar van 1988 publiceerden Jan en ik een artikel in het Tijdschrift voor Verzorgenden (de auteur was Gemma Jones). meteen sloeg de vlam in de pan. Validation wekte heel veel enthousiasme en maakte veel positieve krachten los. Er meldden zich voortdurend mensen, onder wie daadkrachtige initiatiefnemers als Bert Jansen, verpleeghuisdirecteur en Jan Willem van de Boetzelaer, uitgever. In 1989 volgden de eerste congressen, en we vertaalden het boek van Naomi Feil. In 1990 werd de Stichting Validation opgericht, volgden er workshops met Naomi Feil en nog een paar congressen. Veel artikelen in de vaktijdschriften, veel ontroerende verhalen van mensen uit de praktijk. We hadden de wind mee, we ontwikkelden een basiscursus, een werkercursus en leidden docenten op.

Internationale contacten
1990 – 1996. We kregen contact met mensen in België. Ook mensen uit Duitsland meldden zich. Door bemiddeling van Nicole Richard kon ik een paar artikelen over Validation publiceren in Altenpflege. Daardoor werd ik ook in Duitsland uitgenodigd om te presenteren en nog meer te publiceren. In 1994 kwamen Willi Rückert en Christine Sowinski van het Kuratorium Deutsche Altershilfe op bezoek, overigens niet voor Validation maar vanwege de onderwerpen Kwaliteitzorg en methoden voor het onderscheiden van zorgzwaartegroepen. Dit bezoek betekende het begin van een hartelijke en inspirerende werkrelatie die ook voor Validation en de validerende benaderingswijze een impuls betekende. Willi Rückert liet zich inspireren en bedacht het ‘Türöffnungskonzept’ dat in het Qualitätshandbuch für Demensbetreuung van het KDA beschreven staat.

Een eigen Instituut: IMOZ
1996 tot nu. Ondertussen werden er nog meer methoden voor het omgaan met dementerende mensen geïntroduceerd, zoals het Nederlandse snoezelen. Het was een echte ‘revolutie’. Wij (Validation-docenten, mensen uit de praktijk, onderzoekers) wilden al die methoden integreren. In de praktijk ging het niet om het toepassen van methoden maar om het gevoel dat je iemand echt bereikte, met inzet van al je ervaring en vaardigheden. De belevingsgerichte zorg was in aantocht. Wij zochten daarom weer een eigen weg. In 1996 richtte het bestuur van de Stichting Validation samen met mij een nieuw Instituut op. We noemden het IMOZ, het Instituut voor maieutische Ontwikkeling in de Zorgpraktijk. Inmiddels hebben we het instituut omgedoopt tot Instituut voor Zingevende Zorg (zie www.IMOZ.nl). Vanuit IMOZ namen we ook het initiatief voor een eigen uitgeverij, Zorgtalentproducties (www.zorgtalentproducties.nl).

Vanaf 1999 is IMOZ geleid door Peter Hoveling als zakelijk directeur. Ik zelf was directeur Inhoud en Ontwikkeling. Inmiddels is de leiding van IMOZ overgegaan in de handen van Betty Meijer. Peter Hoveling en ik blijven nauw betrokken, als lid van het bestuur van de Stichting IMOZ en als eigenaar van Zorgtalentproducties. Peter heeft een nu een eigen BV, Zorgfilosofie (www.zorgfilosofie.nl) en specialiseert zich in het trainen van leidinggevenden in de vaardigheden die ze nodig hebben voor het Zingevingsmodel.

De Hefboom van Verandering
Een paar inhoudelijke ontdekkingen moeten hier nog worden vermeld.
Aanvankelijk, met implementatie van benaderingswijzen zoals Realiteits Orientatie en Validation, richtten wij ons op het niveau van de individuele medewerker. Individuele medewerkers lieten zich daardoor ook echt inspireren. Maar al vrij snel ontdekten wij dat de echte dynamiek pas dan ontstaat als de medewerkers niet alleen ieder voor zich, maar ook gezamenlijk als team reflecteren over hun creatieve invallen en positieve momenten. Daardoor kwam er steeds meer aandacht voor de belevingsgerichte methodiek, het ‘Nursing Procress’, voor het functioneren van de eerst verantwoordelijke verzorgende en voor de coachende rol van de leidinggevende. Het Zingevingsmodel heeft zich zo doorontwikkeld niet alleen tot een echte verpleegkundige theorie maar ook tot een model voor ‘adaptieve implementie’. En de IMOZ-know how is niet langer alleen beperkt tot het aanleren van belevingsgerichte vaardigheden. IMOZ is hèt Instituut voor de implementatie van belevingsgerichte woonleefzorg, kleinschalige zorg en ouderenzorg.

Wetenschappelijke onderbouwing
1996. Na een lange voorgeschiedenis konden we in 1996 beginnen met een groot wetenschappelijk onderzoek naar de effecten van belevingsgerichte zorg. De onderzoeksgroep stond onder leiding van Rose Marie Dröes. We hebben toen belevingsgerichte zorg ten behoeve van het onderzoek gestandaardiseerd beschreven, zo ver als we toen waren en ook gestandaardiseerd ingevoerd. Het onderzoek heeft drie proefschriften opgeleverd, van Evelyn Finnema, Emotion-oriented Care in Dementia (2000), Jacomine De Lange, Omgaan met Dementie (2004) en Cora van der Kooij, Gewoon Lief Zijn (2003). Professor Willem van Tilburg van de vakgroep Psychiatrie aan de Vrije Universiteit en Herman Cools van de vakgroep Verpleeghuisgeneeskunde in Leiden waren lid van de promotiecommisie en hebben veel bijgedragen aan de theoretische onderbouwing van belevingsgerichte zorg en het maieutisch zorgconcept (nu het zingevingsmodel). Het belang van dit onderzoek is, dat daadwerkelijk is aangetoond dat belevingsgerichte zorg een positief effect heeft op het zelfbeeld van in het verpleeghuis wonende mensen in de milde en matige fase van dementie. Ook is duidelijk geworden welke organisatorische condities er nodig zijn om belevingsgerichte zorg in te voeren.

Zorgtalent
2007. Belevingsgerichte zorg is inmiddels algemeen aanvaard als een belangrijke inhoudelijke ontwikkeling. De theoretische onderbouwing is nog fragmentarisch, de beleidsmatige inbedding moet nog plaats vinden. Politiek, beleid en management zijn verwikkeld in een gecompliceerde transformatie naar ‘marktgericht ondernemen in de zorg’. Kwaliteitscertificaten en zorgzwaartepakketten zetten de toon. Aandacht voor inhoud is (te) veel gevraagd. Nog altijd wordt het verzorgende werk beschouwd als makkelijk, als iets dat mensen die daarvoor getalenteerd zijn eigenlijk niet hoeven te leren. Teamleiders, zorgcoördinatoren, eerst verantwoordelijke verzorgenden moeten die medewerkers aansturen. Tijd om te praten over het werk, tijd voor het bespreken van zorgplannen, zorgleefplannen is er niet of weinig. Verzorgende medewerkers zijn daardoor nog altijd op zichzelf aangewezen. Het Zingevingsmodel moet zich doorzetten in een wereld waar productiecijfers, beheersbaarheid en marktdenken het tegengestelde bewerkstelligen van toegewijde zorg. Maar de wereld verandert door mensen, altijd weer. Voor mij is het duidelijk welke weg ik wil gaan, en aan welk maatschappelijk proces ik een bijdrage wil leveren: het ontwikkelen, onderbouwen en implementeren van belevingsgerichte en zingevende zorg.

Feeling for Care
2008. Vanuit Feeling for Care hoop ik, in samenwerking met IMOZ en mijn collega Peter Hoveling via zijn onderneming Zorgfilofosie, nog lange tijd te kunnen pionieren op het gebied van belevingsgerichte en zingevende zorg. Via de Akademie für Mäeutik werk ik ook in het Duitstalige gebied van Europa samen met vele anderen in Duitsland, Oostenrijk, Luxemburg en Zwitserland aan de ontwikkeling van het ‘Mäeutische Pflege- und Betreuungsmodell’